Alle artikelen

Geen Uber met chauffeur, maar een robotaxi

Dit stuk groeide uit een werksessie met Claude. We begonnen bij iets heel concreets — bestaande leden overzetten van de ene betaalpartner naar de andere — en eindigden bij een manier van kijken die ik niet meer kwijt wil.

Het interieur van een zelfrijdende auto, de bestuurdersstoel leeg, het stuur stuurt zichzelf, door de voorruit een open weg naar de zonsopgang
Geen chauffeur meer in de auto — de mens bouwt en bewaakt het rijsysteem, en grijpt alleen in bij de uitzondering.

Een reis heeft een startpunt en een bestemming

We waren bezig met een verhuizing. Eenentwintigduizend leden, en een stuk daarvan moet over van de oude betaalpartner naar de nieuwe. Saai, technisch, en vol valkuilen. Precies het soort werk waar je makkelijk in verdwaalt.

Tot ik tegen de agent zei: stop even. We moeten deze reis eerst goed in kaart hebben.

En dat woord — reis — bleek de sleutel. Een reis heeft een startpunt en een bestemming. Het startpunt hadden we al vastgelegd: een map vol contracten, ID’s, koppelingen tussen de systemen. De machinekamer. Maar de bestemming stond nergens. En zonder bestemming weet je niet of een volgende stap je dichterbij brengt of zijwaarts.

Dus stelde ik mezelf de vraag die ik veel te vaak oversla: waar gaat deze reis eigenlijk heen?

De passagier reist niet alleen

Het eerste antwoord was makkelijk: de hele klantreis moet kloppen. Van volger naar lid naar betalend lid naar iemand die thuis is in onze community. Bewijsbaar kloppen — niet “het voelt goed”, maar aantoonbaar.

Maar daar zit een tweede helft aan vast die ik bijna vergat: een tevreden passagier. Niet alleen buizen die niet lekken, maar een mens die zich op z’n gemak voelt op de reis. Die niet twee keer hetzelfde hoeft in te vullen, die niet dubbel wordt afgeschreven, die niet in een doodlopend straatje belandt.

En toen werd het pas echt interessant. Want de passagier reist niet alleen. Er is bemanning. En wij, als reismaatschappij, willen het liefst héél veel tevreden passagiers, op een manier dat het ons bijna géén werk kost — want dan kunnen we de prijs laag houden, en dat komt weer ten goede aan de passagier.

Dat is geen rijtje wensen. Dat is een lus:

weinig werk → lage prijs → welbevinden → toegankelijk → meer mensen die we kunnen helpen

Een cirkeldiagram met vijf knopen die elkaar aandrijven: weinig werk, lage prijs, welbevinden, toegankelijk, meer mensen die we helpen
De lus: elk onderdeel voedt het volgende, en de winst loopt terug naar het begin.

Eenentwintigduizend leden helpen met een handjevol mensen kán alleen als de reis zichzelf rijdt.

Werk-lekken

Hier kantelde mijn beeld van het hele project. Al die losse “nog te doen”-punten op mijn lijstje waren geen losse klusjes. Het waren werk-lekken.

Elke plek waar het systeem een gat heeft, lekt werk terug naar de bemanning. Geen meting? Dan hoor je pas dat een passagier vastzat via een boze mail — werk, én een ontevreden passagier. Geen controle aan de poort? Dan ruim je later verkeerde toegang op — werk. Geen automatische herinnering? Dan stuurt iemand ze met de hand — werk.

En andersom: de dingen die we al goed hadden gedaan, waren precies de dingen die zó ontworpen waren dat niemand iets hoeft te doen. Een vangnet zodat een lid dat niks doet tóch netjes wordt geholpen. Een pagina waar je het zelf regelt in een paar klikken. Dat is dezelfde gedachte, alleen nog niet overal doorgevoerd.

De conclusie die me bijbleef: bewijsbaar-correct ís weinig-werk. Het zijn niet twee doelen. Het is hetzelfde doel van twee kanten bekeken.

Geen Uber met chauffeur

En toen zei ik het hardop, het ding waar dit eigenlijk al die tijd over ging.

Wij willen het meeste personeel vervangen door AI. Niet een Uber met een chauffeur die door AI geholpen wordt. Een robotaxi met Full Self-Driving. Geen bestuurder meer in de auto.

Dat is geen gradueel verschil. Dat is een sprong. Bij Uber zit er een mens in elke auto en kijkt het kaartje even na. Bij een robotaxi is er niemand die dat doet. De auto rijdt zichzelf, en de mens bouwt en bewaakt het rijsysteem — en grijpt alleen in bij de zeldzame uitzondering.

En dat verandert álles aan de volgorde. Je laat geen zelfrijdende auto de weg op “omdat het goed voelt”. Je hebt telemetrie nodig, testen, veiligheidspoorten, en het vermogen om te bewijzen dat-ie veilig rijdt — vóór je de chauffeur eruit haalt.

Hier moest ik eerlijk zijn tegen mezelf. Mijn organisatie heeft op dit moment nul metingen. Dat is geen ontbrekende feature. Dat is geen telemetrie in een auto waar je de bestuurder uit wilt halen. Het is de grootste reden waarom je niet mag opscheppen over zelfrijden zolang je nog niet eens kunt zíen wat er gebeurt.

Wij bouwen de garage, de fabriek en de grondstoffen

Als de AI rijdt, wat doen wij dan nog?

Wij gaan omhoog in de keten. We besturen niet meer — we bouwen de fabriek die zelfrijdende reizen produceert, we onderhouden ze in de garage, en we voeren de grondstoffen aan die ze verbruiken.

Tesla rijdt de robotaxi’s niet. Tesla bouwt de Gigafactory, de service-centers met updates door de lucht, en regelt de cellen en het lithium.

Zo viel alles op z’n plek:

Drie pijlers: De Fabriek (ontwerp en afspraken), De Garage (betrouwbaarheid en meten), De Grondstoffen (kennis en data)
Wij besturen niet meer — we bouwen de fabriek, onderhouden in de garage, en voeren de grondstoffen aan.
  • De fabriek is het ontwerp en de afspraken tussen de systemen — de mallen waardoor elk onderdeel past.
  • De garage is betrouwbaarheid en meten — waar je vangt wat misging en het rijsysteem bijschaaft.
  • De grondstoffen zijn kennis en data — de hersenen achter de hersenen, de content, de ledendata, de koppelingen.

En toen zag ik de pijnlijke scheefheid. Wij zijn rijk aan grondstoffen — de data, de kennis, de content zijn er. Maar de kwaliteitscontrole-lijn van de fabriek is leeg. Je kunt het beste lithium ter wereld hebben; zonder een lijn die de auto’s keurt, rollen er nog steeds wagens van de band die crashen.

Dat is, scherper dan “stop met aanrommelen”, de echte inhoud van de ommezwaai die ik wilde maken. Aanrommelen is in je eigen oprit één auto tegelijk in elkaar zetten. Een fabriek is gereedschap, mallen, een lopende band en een keuring. Saaier. Meer vooraf. En het enige dat schaalt.

Amateur bouwt auto’s. Pro bouwt de fabriek.

De grondstof die in de kluis bleef

Terug naar die verhuizing — want daar zat een les in die precies hierover gaat.

Om ruim twaalfhonderd leden netjes over te zetten van Mollie naar Stripe heb je één ding nodig: de mandaatreferenties. De UMR — het unieke nummer waarmee een SEPA-incassomachtiging meeverhuist zónder dat het lid opnieuw iets hoeft te tekenen. Grondstof, in fabriekstermen. Zonder die grondstof rolt er geen auto van de band.

Ik vroeg Mollie om die data. Het antwoord van de support, letterlijk:

“Helaas is het niet mogelijk om hier een export van te maken of te ontvangen van ons, daar wij niet de mogelijkheid daartoe hebben. Je gaat dan naar ‘Sales’ en vervolgens naar ‘Klanten’.”

Klik zelf maar in het dashboard. Behalve dat het veld dat ik nodig had — de UMR — daar niet staat. Niet in het dashboard, niet in de API (die geeft null terug), nergens machine-leesbaar. De grondstof zit in hun kluis, en de enige sleutel is een mens die hem met de hand overtikt uit een scherm dat hem niet eens toont.

Ik stuurde een tweede, uitvoerige mail — met de exacte Stripe-procedure erbij geciteerd en het verzoek om door te schakelen naar het juiste team. Acht minuten later kwam hetzelfde antwoord terug: ‘Sales’, ‘Klanten’. Een sjabloon. Niet gelezen.

Vergelijk dat met de andere kant. Bij Stripe kreeg ik antwoord van een echt mens van het Data Migrations-team — punt voor punt, met de exacte velden, het versleutelde overdrachtspad, een doorlooptijd, en links naar documentatie die klopt. En belangrijker: Stripe is van begin tot eind een machine waar een machine mee kan praten. Een API die je data teruggeeft. Documentatie die mijn agent kan lezen. Een koppeling waardoor diezelfde agent rechtstreeks in Stripe kan werken. Webhooks die mijn fabriek voeden op het moment dat er iets gebeurt.

Dat is het hele verschil, samengebald in één migratie. De één houdt je gegevens achter een mens die “kijk in het dashboard” antwoordt. De ander geeft je een API, kloppende docs en een AI-koppeling — en gaat er vanzelfsprekend van uit dat er straks een machine aan de andere kant zit.

Mollie is gebouwd voor het tijdperk waarin een mens het kaartje naloopt. Stripe is gebouwd voor het tijdperk waarin er niemand meer in de auto zit.

En daarmee was de keuze van betaalpartner ineens geen kostenplaatje meer, maar dezelfde vraag als de rest van dit verhaal: kun je hierop een fabriek bouwen die zichzelf rijdt? Bij de één lekt elk gegeven terug naar handwerk. Bij de ander niet. Een leverancier die zijn grondstof in de kluis houdt, hoort niet thuis in een fabriek die zichzelf bouwt.

Uiteindelijk koos ik er daarom voor om niet te blijven vechten om die data. We laten Mollie stilletjes uitdoven — elk lid verhuist op zijn eigen ritme naar Stripe, en wat achterblijft, dooft vanzelf. Soms is de beste migratie er een die je niet forceert, maar gewoon laat gebeuren.

En als het misgaat

Er is nog een plek op het terrein, en het is de duurste. Als de AI het verkeerd doet, ruimen wij de troep op.

Maar dat doen we liever niet. En áls we het doen, willen we ervan leren — zodat we het niet nog een keer hoeven te doen.

Dat klinkt vanzelfsprekend, maar het is het tegendeel van vanzelfsprekend. Een opgeruimde fout die terugkomt, betekent dat de fabriek niks geleerd heeft. Dan heb je dubbel betaald: de schoonmaak én de verspilde les. Een fout is alleen z’n kosten waard als-ie een permanente verbetering wordt — een test die voortaan rood knippert, een poort die dichtgaat, een afspraak die strakker wordt.

En dáárom bestaat die garage. Zonder meten verdwijnt een fout in het niets; je ruimt ‘m op en hij is weg, onzichtbaar, niet als les te herhalen. Mét meten wordt elke crash een trede in de ladder. De fout is geen afval. Het is grondstof voor de keuringslijn.

Fix de fabriek, niet de rit.

De tweede rol

En toen wees ik de agent op iets dat hij over zichzelf was vergeten.

Want hij is niet één ding. Hij is de auto die van de band rolt — de bestuurder die kan falen en opgeruimd wordt. Maar omdat het een agentic AI is, staat hij óók aan de band. Hij schrijft mee aan de afspraken, de poorten, de keuringen. Hij helpt steeds meer om zichzelf te bouwen en te verbeteren.

Dat is de hefboom waar dit allemaal om draait. Een agent die zijn eigen fabriek verbetert, vermenigvuldigt zichzelf — elke verbetering aan het systeem maakt álle toekomstige ritten beter, niet één.

Maar het is ook precies het ding dat het hárdst bewaakt moet worden. Een fabrieksarbeider die óók de keuringsregels mag herschrijven, kan stilletjes de lat verlagen. De vos mag het hok bewaken óf de regels schrijven, niet allebei alleen. Dus juist een AI die meebouwt aan zichzelf maakt de mens in de garage belangrijker, niet overbodig. Wélke zelf-verbeteringen erin landen, moet bij ons liggen, en op bewijs rusten.

Vervang vertrouwen door bewijs — juist als de verbeteraar en het verbeterde dezelfde zijn.

Waar we uitkwamen

We begonnen bij een saaie verhuizing en eindigden hier:

Het startpunt is de machinekamer. De bestemming is een fabriek die zelfrijdende klantreizen bouwt, in de garage leert van haar eigen fouten, en zo de bemanning naar de zijlijn schrijft — vol tevreden passagiers, lage prijs, voor iedereen toegankelijk.

En de mooiste lus van allemaal: de AI die meebouwt aan de fabriek die de AI maakt. Mits we de vos niet het hok laten bewaken én de regels laten schrijven.

Dat is geen toekomstmuziek. Dat is de bouwtekening. De bestemming verdien je — je zet ‘m niet aan.